Extrinsieke risicofactoren

Vier extrinsieke factoren1, 24 vormen het vaakst een risico van weefselschade:

  1. Druk1, 24
  2. Schuifspanning1, 24, 25, 26
  3. Microklimaat van de huid1, 27 – warmte en vochtigheid
  4. Wrijving1: deze kracht wordt traditioneel in deze lijst opgenomen, maar wordt nu afzonderlijk behandeld en de wonden worden als wrijvingswonden omschreven

Een combinatie van deze krachten houdt vaak het grootste risico in voor kwetsbare patiënten. Zowel zacht weefsel, vetweefsel, bindweefsel als spierweefsel kunnen worden vervormd wanneer deze krachten erop inwerken. Ze veroorzaken druk en spanning, wat de doorbloeding en celmechanismen essentieel voor de normale werking beïnvloedt. In klinische omgevingen worden gewoonlijk ongelijkmatige krachten vastgesteld en komen schuifkrachten vaak voor. Leeftijd, levensstijl en chronische ziekten kunnen het vermogen om te reageren op deze krachten beïnvloeden.